- Aanbod van "speelse" wedstrijdvormen voor beginnende springers (talentherkenning);
- Systematisch verbeteren van de technische vaardigheid van wedstrijdgerichte springers (talentontwikkeling);
- Begeleiding van verenigingen bij het organiseren van nieuwe wedstrijdvormen schoonspringen;
- Inzet van jonge en recent gediplomeerde trainers en officials bij de organisatie van wedstrijden.
De KNZB organiseert de Breedtesportcompetitie in samenwerking met een vereniging. De breedtesportcompetitie bestaat uit meerdere wedstrijddagen met wedstrijden in circuitvorm. De organiserende vereniging wordt gevraagd te werken met het "Draaiboek Breedtesportcompetitie", zodat alle wedstrijden op een zelfde wijze zullen verlopen. Het draaiboek is opgenomen als bijlage in deze almanak en staat ook op de website van de KNZB.
Een KNZB breedtesportcompetitiedag bestaat uit twee onderdelen:
onderdeel 1: talentherkenning
Het doel van dit onderdeel is: het tonen van de “grove vorm” van sprongen, die later in het wedstrijdspringen in detail worden verbeterd. Er wordt gesprongen in circuitvorm. Elke springer springt van meerdere toestellen. Bij elk toestel zit één jurylid met de bevoegdheid 7 of 6. Het jurylid geeft een cijfer van 1 tot en met 10, de moeilijkheidsfactor van de sprong wordt door het jurylid direct in dit cijfer meegewogen (“schoolcijfers”). Bij het uitvoeren van alle voorgeschreven sprongen wordt een waardering tussen 4 en 10 gegeven. Durft een springer een voorgeschreven sprong niet, dan krijgt hij/zij maximaal 3 punten voor een andere (voorbereidende) sprong. Een groepsleider brengt de springers van toestel naar toestel. Groepsleiders worden ter plaatse aangewezen door de leider van de KNZB Breedtesport competitiedag en krijgen ter plekke instructies.
onderdeel 2: talentontwikkeling
Het doel van dit onderdeel is het tonen van technische vaardigheden die ook bij het KNZB niveauspringen worden geëist. Het onderdeel talentontwikkeling van de Breedtesportcompetitie is een wedstrijd in circuitvorm, niet een KNZB niveautest. Elke springer springt van meerdere toestellen. Bij elk toestel zit één jurylid met de bevoegdheid 7 of 6. Het jurylid geeft een cijfer van 1 tot en met 10, de moeilijkheidsfactor van de sprong wordt niet meegewogen. Bij het uitvoeren van alle voorgeschreven sprongen wordt een waardering tussen 4 en 10 gegeven. Durft een springer een voorgeschreven sprong niet, dan krijgt hij/zij maximaal 3 punten voor een andere (voorbereidende) sprong. Een groepsleider brengt de springers van toestel naar toestel. Groepsleiders worden ter plaatse aangewezen door de leider van de KNZB Breedtesportcompetitiedag en krijgen ter plekke aanvullende instructies.
De competitie bestaat uit een serie van vier wedstrijddagen. De wedstrijdcategorie (leeftijd of niveauspringen) waarin een deelnemer wordt ingedeeld tijdens de eerste wedstrijddag blijft van toepassing voor alle vier de wedstrijddagen van de competitieserie; dit in afwijking van het reglement waarin wordt bepaald dat de leeftijd op 31 december bepalend is voor de leeftijdsindeling.
De breedtesportcompetitie is ingedeeld in de volgende wedstrijdcategorieën:
|
Onderdeel 1: Talentherkenning
|
Onderdeel 2: Talent ontwikkeling
|
|
leeftijdscategorie E (2000 en later)
|
niveau 1 + 2 (niet gebonden aan leeftijd)
|
|
leeftijdscategorie D (1998 + 1999)
|
|
|
leeftijdscategorie C (1996 + 1997)
|
|
|
leeftijdscategorie B + A (1991 t/m 1995)
|
|
|
leeftijdscategorie Masters (1990 en eerder = 19 jr. en ouder)
|
|
Er worden punten toegekend aan de hand van de plaatsing van de deelnemers. Jongens en meisjes springen in één categorie. De puntentelling van alle competitiedagen wordt centraal ingevoerd in een database Breedtesportcompetitie. De puntentelling van de Breedtesportcompetitie is als volgt;
|
plaats
|
1
|
2
|
3
|
4
|
5
|
6
|
7
|
8
|
9
|
10
|
11
|
12
|
|
punten
|
18
|
16
|
14
|
12
|
10
|
8
|
6
|
5
|
4
|
3
|
2
|
1
|
Mochten er twee springers gelijk eindigen, dan krijgen beide springers de punten die behoren bij hun plaatsing (b.v. twee deelnemers eindigen beide op de derde plaats: beide springers ontvangen een medaille en beide springers ontvangen 14 punten voor hun club). Vervolgens wordt er in de uitslag geen plaats overgeslagen, de volgende springer krijgt de punten van nummer vier. Het overslaan van prijzen en plaatsingspunten is komen te vervallen.
Aan het einde van elke competitiedag worden de prijswinnaars per categorie bekendgemaakt (top 3 jongens en meisjes gemengd) en zij ontvangen een medaille van de organiserende vereniging.
Ook is er een overall klassement over de vier breedtesport wedstrijddagen. Per springer worden de drie beste resultaten van de vier wedstrijddagen van de breedtesportcompetitie bij elkaar opgeteld. Op de laatste (finale) breedtesportwedstrijddag worden de overall medailles uitgereikt.
In het geval een springer binnen de breedtesportcompetitie tussentijds van vereniging wisselt, zullen de behaalde competitiepunten toegekend worden aan de vereniging waar de springer voor uitgekomen is. De behaalde wedstrijdpunten blijven op naam van de springer en tellen dus mee voor het individueel overall klassement.
Eisen voor deelname aan de KNZB breedtesportcompetitie
Elke springer, die lid is van een bij de KNZB aangesloten vereniging mag per competitiedag deelnemen aan één onderdeel, talentherkenning of talentontwikkeling. Voor deelname aan het onderdeel talentontwikkeling moet de springer in het bezit zijn van een startvergunning. Voor deelname aan het onderdeel talentherkenning is een startvergunning niet verplicht. Bij aanmelding voor het onderdeel talentontwikkeling moet het startnummer vermeld zijn. De codering “agv” (startvergunning aangevraagd) wordt niet meer geaccepteerd.
Om deel te nemen aan het onderdeel talentontwikkeling moeten springers ook een niveautest 1 of 2 plankspringen hebben. Springers zonder niveautest mogen niet deelnemen aan dit onderdeel. Als een springer in het vorige seizoen (september - augustus) niet heeft deelgenomen aan de breedtesportcompetitie, de selectietesten en/of (kwalificatie voor) de Nationale Kampioenschappen, dan mag hij/zij één niveau lager starten (bijvoorbeeld: een springer van niveau 1 + 2 mag dan naar talentherkenning). Mocht een springer gedurende de competitie tussentijds het niveau 3 plankspringen behalen dan mag hij/zij de competitie afmaken in het niveau 1+2.
Kosten
De kosten van inschrijving worden vooraf bekend gemaakt. De kosten worden op basis van inschrijving via het KNZB depot verrekend; hiervan wordt geen apart bericht gestuurd. De KNZB maakt het ontvangen inschrijfgeld over naar het depot van de organiserende vereniging. De KNZB betaalt geen reiskosten voor de juryleden.
Inschrijving
Inschrijving is verplicht via het centrale secretariaat breedtesportcompetitie. Het secretariaat wordt gevoerd door:
Peter en Mieke Weijne
Bermudablauw 84
NL-2718 JK ZOETERMEER
079 - 361 27 91
weijne@ziggo.nl
Per wedstrijddag moet het standaard inschrijfformulier volledig worden ingevuld (het formulier is te downloaden van de KNZB website) en verzonden naar het bovengenoemde secretariaatsadres, per post, of e-mail. De sluitingstermijn van inschrijving voor elke wedstrijddag is op de zaterdag of zondag voorafgaande aan de wedstrijddag om 24.00 uur. Inschrijvingen die later binnen komen, worden niet gehonoreerd.
Alle deelnemende verenigingen zijn verplicht om juryleden voor de wedstrijddag aan te leveren. Op het inschrijfformulier moeten de namen van de juryleden gemeld worden. Verenigingen die geen eigen juryleden hebben, mogen juryleden van andere verenigingen vragen om voor hen te jureren. Inschrijvingen van verenigingen die geen jurylid melden worden apart gelegd en zijn op dat moment nog niet geaccepteerd. Het competitiesecretariaat zal een vereniging informeren als de aanmelding (nog) niet geaccepteerd is.
Indien na sluiting van de inschrijving voldoende juryleden beschikbaar blijken om ook alle verenigingen zonder jurylid toe te laten, dan zullen de inschrijvingen van al de verenigingen die geen jurylid hebben aangemeld alsnog worden geaccepteerd. Indien onvoldoende juryleden beschikbaar zijn, dan zullen de inschrijvingen van de verenigingen die geen jurylid leveren geen van allen worden geaccepteerd. De verenigingen en de KNZB zullen door het competitiesecretariaat op de hoogte worden gesteld over het definitieve besluit met betrekking tot de deelname door de verenigingen zonder jurylid.
In principe geldt: “Inschrijven is betalen”. Alleen als een springer van deelname wordt uitgesloten, omdat de vereniging geen jurylid kan leveren, dan zal het inschrijfgeld niet worden geïnd. Inschrijfgelden worden belast op het depot van de vereniging zonder voorafgaand schrijven.
Controleplicht van de startlijst door de deelnemende verenigingen
Verenigingen (secretariaat/trainer/coach) dienen na publicatie van de startlijst via de mail en/of website deze te controleren op juiste categorie-indeling van hun eigen springers volgens de regels van de breedtesportcompetitie. Dit geldt vooral voor de inschrijving bij het onderdeel niveau 1+2, omdat deze categorie niet aan leeftijd gebonden is en een foutieve indeling minder snel opvalt.
Indien de vereniging van mening is dat een springer in de verkeerde categorie is ingeschreven, dan kunnen wijzigingen tot 24 uur voorafgaand aan de wedstrijddag gemeld worden bij het wedstrijdsecretariaat. Indien de competitieleider van mening is dat een springer voor de verkeerde categorie is ingeschreven, dan zal hij de springer in de juiste categorie indelen en de vereniging hiervan op de hoogte stellen. Indien onjuiste indeling wordt geconstateerd na aanvang van het eerste onderdeel van de betreffende breedtesportwedstrijd en onjuiste indeling is ontstaan door onjuiste inschrijving zal de springer niet worden opgenomen in de einduitslag van de wedstrijddag en tellen de behaalde punten niet voor het overall klassement. Deze maatregel geldt ook indien de betreffende springer door de competitieleider onjuist is ingedeeld en het na aanvang van de betreffende breedtesportwedstrijd niet meer mogelijk is om de springer alsnog in het juiste onderdeel deel te laten nemen, omdat het juiste onderdeel al van start is gegaan. Controle op vergissingen in de indeling door de vereniging is daarom belangrijk.
De organisatie maakt gebruik van speciale cijferlijsten voor circuit-wedstrijden, de deelnemende verenigingen hoeven dus geen springlijst per deelnemer aan te leveren.
Het complete overzicht van elke wedstrijddag en de voortgang van de competitie zal z.s.m. op de KNZB website worden gepubliceerd en in ieder geval per e-mail naar elke deelnemende vereniging worden verzonden. Uitslagen kunnen ook per post worden verstuurd, als de vereniging dit aan het begin van het seizoen kenbaar maakt bij de KNZB.
Protesten kunnen aan de competitieleider worden bekend gemaakt tot uiterlijk 15 minuten na de wedstrijd of uiterlijk 15 minuten na het bekendmaken van de gedetailleerde uitslag van de betreffende leeftijdscategorie. De competitieleider is eindverantwoordelijke van de wedstrijddag.
Als er achter de sprong/oefening een cijfer tussen haakjes staat, dan is er voor deze sprong/oefening een uitleg beschikbaar.
Wedstrijd 1 & 2
Als er achter de sprong/oefening een cijfer tussen haakjes staat, dan is er voor deze sprong/oefening een uitleg beschikbaar.
Toelichting algemeen:
Staat er achter de sprong (S), dan betekent het dat de sprong uit stand gemaakt moet worden. Bij “armzwaai” moet er een armzwaai gemaakt worden, bij “geen armzwaai” moet de sprong zonder armzwaai gemaakt worden. Als er niets staat mag de springer kiezen.
Halve knipmes: ruglig, voeten omhoog, armen langs de oren, het gehele bovenlichaam komt op, handen tikken de tenen, rechte knieën.
Hele knipmes: ruglig, benen en bovenlichaam komen tegelijk op, handen tikken de voeten op het hoogste punt, knieën recht, probeer de voeten van de grond te houden tijdens de oefening.
Voor de handstanden geldt het volgende:
Handstand bij de muur De springer krijgt 1 poging om een duidelijke handstand van 10 sec. bij de muur te maken.
Heeft de springer een 2e poging nodig, dan trekt het jurylid 2 punten af.
Heeft de springer hulp nodig, dan mag er maximaal een 4 gegeven worden.
Handstand los De springer krijgt 3 pogingen om een handstand los te maken. Hoe langer je staat, hoe beter natuurlijk!
Er mag niet gelopen worden in de handstand. De beste poging telt.
Handstand doorrollen De springer krijgt 3 pogingen om een handstand doorrollen te maken. Er moet een duidelijke handstand getoond worden. Er moet een vloeiende overgang van handstand naar koprol zijn. De beste poging telt.
Toelichting bij wedstrijd 1 en 2:
1 zijwaarts aansluiten De springer zit in hoekhouding op de grond, knieën recht, tenen doorgestrekt, de armen zijwaarts. Dit is de aanvangspositie. De armen gaan zijlangs boven het hoofd, de handen worden vastgepakt. Terug naar de aanvangspositie.
2 hurk-strek De springer zit in hurkhouding op de grond, handen op de schenen. Dit is de aanvangspositie. De benen worden uitgestrekt, de armen volgen de benen, het lichaam gaat naar achteren. De ogen gericht op de voeten. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening.
3 lenigheid hoekzit De springer zit op de grond, benen recht, tenen gestrekt, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer gaat in (diepe) hoekzit (handen bij de voeten, knieën recht) en blijft gedurende de aangegeven aantal seconden in deze houding zitten.
4 koprol voorwaarts De springer plaatst de handen voor zich op de grond, maakt een gehurkte koprol waarbij de schenen vastgepakt worden en eindigt op de voeten, rechtop staand. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
5 hurk-strek-duik Zie uitleg bij (2), nu echter gaan de armen dicht langs het lichaam (smal uitkomen) naar de duiklijn en komt de springer geheel gestrekt te liggen. De ogen eerst naar de voeten gericht en dan naar de handen. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening en blijft de rug recht (niet hol). Geen onderscheid in plaatsen van handen, belangrijk detail is dat er gekeken wordt naar de “landing” voor het volledig plaatsen van de handen.
6 aanloop+100A De springer laat een aanloop van een zelf te kiezen aantal passen zien, gevolgd door een opsprong, gelijk gevolgd door een rechte sprong omhoog met armzwaai, armen hoog eindigend. Het moet een vloeiende beweging zijn met de armen een moment stil bovenin de opsprong. Cijfer voor totale uitvoering.
7 020B Hoekbom achterover zonder afzetten en zonder armzwaai. De springer staat met een halve voet op de kant. De springer staat rechtop met de armen hoog, daarna buigt de springer naar voren en pakt de benen vast of om de benen heen. De springer moet zo diep mogelijk hoeken met een rechte rug en valt dan achterover in het water met de benen vast en komt op de billen terecht.
8 040B Hoekbom binnenwaarts. De springer staat met een halve voet op de kant achterwaarts en de handen hoog klaar. De springer maakt een hoekbom binnenwaarts en de springer komt met handen en voeten tegelijk in het water.
9 030B De springer maakt een contra-hoekbom, met afzetten en met armzwaai. De armen blijven boven na de armzwaai en de voeten worden naar de handen gebracht. De springer komt in gehoekte houding met de billen eerst in het water. Bij een goede uitvoering zijn de benen de gehele vlucht gestrekt.
10 opdrukken knieën De springer heeft de armen gestrekt onder de schouders, het lichaam is recht (de heupen mogen niet uitsteken) de knieën steunen op de grond en de voeten wijzen naar boven. Dit is de aanvangspositie. De springer buigt de ellebogen zo diep mogelijk, het lichaam blijft recht en komt weer terug in de aanvangspositie, etc.
11 dolfijntje a.w. De springer hangt aan de kant, handen op de kant, knieën gebogen, voeten onder water tegen de kant. Dit is de aanvangspositie. De springer duwt met beide voeten tegen de kant en brengt gelijk de armen achter het hoofd. Het lichaam mag gedeeltelijk uit het water komen. Onder water gaat het lichaam weer terug naar de kant. Deze houding wordt zo gestrekt mogelijk gemaakt.
12 lenigheid hoekstand De springer staat op de grond, benen bij elkaar, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer gaat in (diepe) hoekstand (handen bij de benen of om de benen heen, knieën recht) en blijft 10 sec. in deze houding staan.
Wedstrijd 3 & 4
Toelichting bij wedstrijd 3 en 4:
2 aanloop+100A De springer laat een aanloop van een zelf te kiezen aantal passen zien, gevolgd door een opsprong, gelijk gevolgd door een rechte sprong omhoog met armzwaai, armen hoog eindigen. Het moet een vloeiende beweging zijn met de armen een moment stil bovenin de opsprong. Cijfer voor totale uitvoering.
3 lenigheid hoekstand De springer staat op de grond, benen bij elkaar, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer gaat in (diepe) hoekstand (handen bij de benen of om de benen heen, knieën recht) en blijft 10 sec. in deze houding staan.
4 koprol achterwaarts De springer maakt een gehurkte koprol waarbij de schenen vastgepakt worden en eindigt op de voeten, rechtop staand. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
5 hurk-strek-duik De springer zit in hurkhouding op de grond, handen op de schenen. Dit is de aanvangspositie. De benen worden uitgestrekt, de armen volgen de benen, het lichaam gaat naar achteren. De ogen zijn gericht op de voeten. Nu gaan de armen dicht langs het lichaam (smal uitkomen) naar de duiklijn en komt de springer geheel gestrekt te liggen. De ogen gaan van de voeten mee met de handen. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening en blijft de rug recht (niet hol).
6 020B Hoekbom achterover zonder afzetten en zonder armzwaai. De springer staat met een halve voet op de kant. De springer staat rechtop met de armen hoog, daarna buigt de springer naar voren en pakt de benen vast of om de benen heen. De springer moet zo diep mogelijk hoeken met een rechte rug en valt dan achterover in het water met de benen vast en komt op de billen terecht.
7 030B De springer maakt een contra-hoekbom, met afzetten en met armzwaai. De armen blijven boven na de armzwaai en de voeten worden naar de handen gebracht. De springer komt in gehoekte houding met de billen eerst in het water. Bij een goede uitvoering zijn de benen de gehele vlucht gestrekt.
8 opdrukken knieën De springer heeft de armen gestrekt onder de schouders, het lichaam is recht (de heupen mogen niet uitsteken) de knieën steunen op de grond en de voeten wijzen naar boven. Dit is de aanvangspositie. De springer buigt de ellebogen zo diep mogelijk, het lichaam blijft recht en komt weer terug in de aanvangspositie, etc.
9 hele knipmes schroef De springer begint met een knipmes, als het knipmes klaar is, maakt de springer een hele draai om de lengte-as, gevolgd door een knipmes, hele draai terug en weer een knipmes etc. Er wordt dus niet doorgerold bij de hele draai. Bij een goede uitvoering raken de voeten de grond niet tijdens de gehele oefening.
10 020B valduik De springer staat in hoekhouding met de rug naar het water, handen achter de benen of om de enkels. De springer gaat op zijn tenen staan, valt achterwaarts en komt met de handen binnendoor langs de neus uit.
11 hoekzit billen De springer zit op de grond, benen in de lucht, alancerend op de billen. Dit houdt de springer 10 sec. vast.
12 koprol handstand De springer maakt een koprol v.w. en maakt er meteen een handstand achteraan, waarbij de springer even kan blijven staan in de handstand.