KNZB

  • E-On
  • La vache qui rit
  • KPMG
  • Lotto
  • Cascade
  • Variopool
  • Menzis
HomeWedstrijdsportSchoonspringenAlmanakHst 4 KNZB competities schoonspringen4.2 KNZB Breedtesportcompetitie

4.2 KNZB Breedtesportcompetitie

4.2.1 Doelstellingen
  • Aanbod van "speelse" wedstrijdvormen voor beginnende springers (talentherkenning).
  • Begeleiding van verenigingen bij het organiseren van nieuwe wedstrijdvormen schoonspringen
  • Inzet van jonge en recent gediplomeerde trainers en officials bij de organisatie van wedstrijden.

De KNZB organiseert de Breedtesportcompetitie in samenwerking met een vereniging. De breedtesportcompetitie bestaat uit meerdere wedstrijddagen met wedstrijden in circuitvorm. De organiserende vereniging werkt met het "Draaiboek Breedtesportcompetitie", zodat alle wedstrijden op een zelfde wijze zullen verlopen. Het draaiboek is opgenomen als bijlage in deze almanak en staat ook op de website van de KNZB.

Een KNZB breedtesportcompetitiedag is alleen bedoeld voor de
categorie talentherkenning. Het doel van dit onderdeel is: het tonen van de “grove vorm” van sprongen, die later in het wedstrijdspringen in detail worden verbeterd. Er wordt gesprongen in  circuitvorm. Elke springer springt van meerdere toestellen. Bij elk toestel zit één jurylid met de bevoegdheid 7 of 6. Het jurylid geeft een cijfer van 1 tot en met 10, de moeilijkheidsfactor van de sprong wordt door het jurylid direct in dit cijfer meegewogen (“schoolcijfers”). Bij het uitvoeren van alle voorgeschreven sprongen wordt een waardering tussen 4 en 10 gegeven. Durft een springer een voorgeschreven sprong niet, dan krijgt hij/zij maximaal 3 punten voor een andere (voorbereidende) sprong. Een groepsleider brengt de springers van toestel naar toestel. Groepsleiders worden ter plaatse aangewezen door de leider van de KNZB Breedtesport competitiedag en krijgen ter plekke instructies.

De competitie bestaat uit een serie van vier wedstrijddagen. De  wedstrijdcategorie waarin een deelnemer wordt ingedeeld tijdens de eerste wedstrijddag blijft van toepassing voor alle vier de wedstrijddagen van de competitieserie; dit in afwijking van het reglement waarin wordt bepaald dat de leeftijd op 31 december bepalend is voor de leeftijdsindeling.
 
De breedtesportcompetitie is ingedeeld in de volgende wedstrijdcategorieën:
fig 4.2.3 aug 2011

4.2.4 Puntentelling voor de KNZB Breedtesportcompetitie
Er worden punten toegekend aan de hand van de plaatsing van de deelnemers. Jongens en meisjes springen in één categorie. De puntentelling van alle competitiedagen wordt centraal ingevoerd in een database Breedtesportcompetitie. De puntentelling van de Breedtesportcompetitie is als volgt;
 
plaats
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
punten
18
16
14
12
10
8
6
5
4
3
2
1
 
Mochten er twee springers gelijk eindigen, dan krijgen beide springers de punten die behoren bij hun plaatsing (b.v. twee deelnemers eindigen beide op de derde plaats: beide springers ontvangen een medaille en beide springers ontvangen 14 punten voor hun club). Vervolgens wordt er in de uitslag geen plaats overgeslagen, de volgende springer krijgt de punten van nummer vier.
Aan het einde van elke competitiedag worden de prijswinnaars per categorie bekendgemaakt (top 3 jongens en meisjes gemengd) en zij ontvangen een medaille van de organiserende vereniging.
Ook is er een totaal klassement over de vier breedtesport wedstrijddagen. Per springer worden de drie beste resultaten van de vier wedstrijddagen van de breedtesportcompetitie bij elkaar opgeteld. Op de laatste (finale) breedtesportwedstrijddag worden de totaal klassement medailles uitgereikt.
In het geval een springer binnen de breedtesportcompetitie tussentijds van vereniging wisselt, zullen de behaalde competitiepunten toegekend worden aan de vereniging waar de springer voor uitgekomen is. De behaalde wedstrijdpunten blijven op naam van de springer en tellen dus mee voor het individueel totaal klassement.
 
Eisen voor deelname aan de KNZB breedtesportcompetitie
Een springer mag niet in het voorgaande seizoen hebben deelgenomen aan de selectietesten en/of een onderdeel van het N(J)K. Ook mag de springer niet hebben voldaan aan een puntenlimiet-eis voor deelname aan het N(J)K. Springers die deelnemen aan de C/D-competitie van 2011/2012 mogen niet deelnemen aan de breedtesportcompetitie. Springers die deelnemen aan de C/D-competitie van 2011/2012 mogen niet deelnemen aan de breedtesportcompetitie. Als een springer overstapt naar de CD-competitie gedurende het seizoen kan niet meer deel worden genomen aan de breedtesport-competitie. Alle andere springers mogen deelnemen mits zij lid zijn van een bij de KNZB aangesloten vereniging. Deelnemers hoeven niet in het bezit te zijn van een startverguning.
 
Kosten
De kosten van inschrijving worden vooraf bekend gemaakt. De kosten worden op basis van inschrijving via het KNZB depot verrekend; hiervan wordt geen apart bericht gestuurd. De KNZB maakt het ontvangen inschrijfgeld over naar het depot van de organiserende vereniging. De KNZB betaalt geen reiskosten voor de juryleden.
 
Inschrijving
Inschrijving is verplicht via het centrale secretariaat breedtesportcompetitie. Het secretariaat wordt gevoerd door:
Peter en Mieke Weijne
Bermudablauw 84
NL-2718 JK ZOETERMEER
079 - 361 27 91
weijne@ziggo.nl
 
Per wedstrijddag moet het standaard inschrijfformulier volledig worden ingevuld (het formulier is te downloaden van de KNZB website) en verzonden naar het bovengenoemde secretariaatadres per post, of e-mail. De sluitingstermijn van inschrijving voor elke wedstrijddag is op de zaterdag of zondag voorafgaande aan de wedstrijddag om 24.00 uur. Inschrijvingen die later binnen komen, worden niet gehonoreerd.
Alle  deelnemende verenigingen zijn verplicht om juryleden voor de wedstrijddag aan te leveren. Op het inschrijfformulier moeten de namen van de juryleden gemeld worden. Verenigingen die geen eigen juryleden hebben, mogen juryleden van andere verenigingen vragen om voor hen te jureren. Inschrijvingen van verenigingen die geen jurylid melden worden apart gelegd en zijn op dat moment nog niet geaccepteerd. Het competitiesecretariaat zal een vereniging informeren als de aanmelding (nog) niet geaccepteerd is. Een
jurylid kan maar voor één vereniging tegelijk uitkomen. Een opgegeven jurylid kan vooraf vragen niet te worden opgesteld in specifieke onderdelen van het programma (vb niet in categorie E of iets dergelijks). De organisatie zal in principe rekening houden met deze vooraf opgegeven voorkeuren. Afhankelijk van het aantal juryleden en deelnemers kan hiervan worden afgeweken. Zonder opgave vooraf is het jurylid voor de gehele wedstrijd inzetbaar, op de competitiedag zelf kunnen geen voorkeuren meer worden aangegeven. De vereniging en het opgegeven jurylid dienen zorg te dragen voor vervanging als hij/zij door omstandigheden alsnog niet kan fungeren.
 
Indien na sluiting van de inschrijving voldoende juryleden beschikbaar blijken om ook alle verenigingen zonder jurylid toe te laten, dan zullen de inschrijvingen van al de verenigingen die geen jurylid hebben aangemeld alsnog worden geaccepteerd. Indien onvoldoende juryleden beschikbaar zijn, dan zullen de inschrijvingen van de verenigingen die geen jurylid leveren geen van allen worden geaccepteerd. De verenigingen en de KNZB zullen door het competitie secretariaat op de hoogte worden gesteld over het definitieve besluit met betrekking tot de deelname door de verenigingen zonder jurylid.
 
In principe geldt: “Inschrijven is betalen”. Alleen als een springer van deelname wordt uitgesloten, omdat de vereniging geen jurylid kan leveren, dan zal het inschrijfgeld niet worden geïnd. Inschrijfgelden worden belast op het depot van de vereniging zonder voorafgaand schrijven.
Controleplicht van de startlijst door de deelnemende verenigingen
Verenigingen (secretariaat/trainer/coach) dienen na publicatie van de startlijst via de mail en/of website deze te controleren op juiste categorie-indeling van hun eigen springers volgens de regels van de breedtesportcompetitie.
 
Indien de vereniging van mening is dat een springer in de verkeerde categorie is ingeschreven, dan kunnen wijzigingen tot 24 uur voorafgaand aan de wedstrijddag gemeld worden bij het wedstrijdsecretariaat. Indien de competitieleider van mening is dat een springer voor de verkeerde categorie is ingeschreven, dan zal hij de springer in de juiste categorie indelen en de vereniging hiervan op de hoogte stellen. Indien onjuiste indeling wordt geconstateerd na aanvang van het eerste onderdeel van de betreffende breedtesportwedstrijd en onjuiste indeling is ontstaan door onjuiste inschrijving zal de springer niet worden opgenomen in de einduitslag van de wedstrijddag en tellen de behaalde punten niet voor het overall klassement. Deze maatregel geldt ook indien de betreffende springer door de competitieleider onjuist is ingedeeld en het na aanvang van de betreffende breedtesportwedstrijd niet meer mogelijk is om de springer alsnog in het juiste onderdeel deel te laten nemen, omdat het juiste onderdeel al van start is gegaan. Controle op vergissingen in de indeling door de vereniging is daarom belangrijk.
 
De organisatie maakt gebruik van speciale cijferlijsten voor circuit-wedstrijden, de deelnemende verenigingen hoeven dus geen springlijst per deelnemer aan te leveren.
Het complete overzicht van elke wedstrijddag en de voortgang van de competitie zal z.s.m. op de KNZB website worden gepubliceerd en in ieder geval per e-mail naar elke deelnemende vereniging worden verzonden. Uitslagen kunnen ook per post worden verstuurd, als de vereniging dit aan het begin van het seizoen kenbaar maakt bij de KNZB.
Protesten kunnen aan de competitieleider worden bekend gemaakt tot uiterlijk 15 minuten na de wedstrijd of uiterlijk 15 minuten na het bekendmaken van de gedetailleerde uitslag van de betreffende leeftijdscategorie. De competitieleider is eindverantwoordelijke van de wedstrijddag.
 
Als er achter de sprong/oefening een cijfer tussen haakjes staat, dan is er voor deze sprong/oefening een uitleg beschikbaar.
 
Wedstrijd 1 & 2
Dit overzicht staat ook als bestand onder Downloads en formulieren.
Programma breedtesport wedstr 1+2 aug 2011
Staat er achter de sprong (S), dan betekent dat, dat de sprong uit stand gemaakt moet worden. Bij “armzwaai” moet er een armzwaai gemaakt worden, bij “geen armzwaai” moet de sprong zonder armzwaai gemaakt worden. Als er niets staat mag de springer kiezen.
- Halve knipmes: ruglig, voeten omhoog, armen langs de oren, het gehele bovenlichaam komt op, handen tikken de tenen, rechte knieën.
- Hele knipmes: ruglig, benen en bovenlichaam komen tegelijk op, handen tikken de voeten op het hoogste punt, knieën recht, probeer de voeten van de grond te houden tijdens de oefening.
(de handen tikken de vloer tijdens de start en na elk knipmes).
Voor de handstanden geldt het volgende:
- Handstand bij de muur: De springer krijgt 1 poging om een duidelijke handstand van 10 sec. bij de muur te maken. Heeft de springer een 2e poging nodig, dan trekt het jurylid 2 punten af. Heeft de springer hulp nodig, dan mag er maximaal een 4 gegeven worden.
- Handstand los: De springer krijgt 2 pogingen om een handstand los te maken. Hoe langer je staat, hoe beter natuurlijk! Er mag niet gelopen worden in de handstand. De beste poging telt.
 
Toelichting bij wedstrijd 1 en 2:
 
1. zijwaarts aansluiten - De springer zit in hoekhouding op de grond, knieën recht, tenen doorgestrekt, de armen zijwaarts. Dit is de  aanvangspositie. De armen gaan zijlangs boven het hoofd, de handen worden vastgepakt. Terug naar de aanvangspositie.
2. hurk-strek - De springer zit in hurkhouding op de grond, handen op de schenen. Dit is de aanvangspositie. De benen worden uitgestrekt, de armen op de benen, het lichaam gaat naar achteren. Ogen gericht op de voeten. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening.
3. lenigheid hoekzit - De springer zit op de grond, benen op de mat, knieën recht,
tenen gestrekt, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer gaat in (diepe) hoekzit (handen bij de voeten, knieën recht) en blijft 10 sec. in deze houding zitten. Bij een goede uitvoering wordt gekeken naar de voeten.
4. 1-stap-opsprong + 100A - De springer maakt 1 stap + opsprong (zonder afzetten) waarbij de armen naar boven gebracht worden en daar blijven totdat de voeten naast elkaar zijn. De springer staat een moment stil met armen boven het hoofd en maakt dan een standsprong gestrekt met armzwaai, eindigend met armen hoog. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
5. koprol voorwaarts - De springer plaatst handenvoor zich op de grond, maakt een gehurkte koprol waarbij de schenen vastgepakt worden, en eindigt op de voeten, rechtop staand. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
6. hurk-strek-duik - Zie uitleg bij (2), nu echter gaan de armen dicht langs het lichaam (smal uitkomen) naar de duiklijn en komt de springer geheel gestrekt te liggen. Eerst tenen kijken en uiteindelijk naar de landing kijken. Kijken tijdens het strekken mag vrij worden uitgevoerd. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening en blijft de rug recht (niet hol).
7. aanloop+100A - De springer laat een aanloop van een zelf te kiezen aantal passen zien, gevolgd door een opsprong, gelijk gevolgd door een rechte sprong omhoog met armzwaai, armen hoog eindigen. Het moet een vloeiende beweging zijn met de armen een moment stil bovenin de opsprong. (Indien er geen droge omstandigheden gecreëerd kunnen worden, zal het jurylid uit veiligheidsoverwegingen besluiten de opsprong in slow motion te laten uitvoeren).
8. koprol-hoekzit v.w. - Zie uitleg bij (5), maar nu eindigt de koprol in een gehoekte houding, waarbij de billen op de grond zitten en de benen naar voren gestrekt op de grond liggen. De springer opent tegelijk met het uitkomen de armen en eindigt met de armen breed in een diepe hoekzit.
9. hoekzit-duik - De springer zit op de grond, benen recht, tenen gestrekt, handen hoog. Dit is de aanvangspositie.  De springer buigt naar voren en tikt de tenen. Vervolgens komt de springer weer omhoog, met de armen breed. En vervolgens sluit deze de armen boven het hoofd aan, waarbij de handen vastgepakt worden en de springer naar zijn handen kijkt.
10. hurk-hoekzit-duik - De springer zit op de grond in de gehurkte houding met de schenen vastgepakt. Hiervandaan gaat de springer over naar een diepe hoekzit  waarbij de benen op de grond liggen, en de armen breed zijn. Vervolgens komt het bovenlichaam overeind en sluiten de handen aan boven het hoofd.
11. 101A boogduik - De springer begint met de handen boven het hoofd en laat een boogduik zien. Er mag een lichte buiging in de heupen zijn.
12. 020/030B - Hoekbom  achterover en contra. Met afzetten en met armzwaai. De armen blijven boven na de armzwaai en de voeten worden naar de handen gebracht. De springer komt in gehoekte houding met de billen eerst in het water. Bij een goede uitvoering zijn de benen de gehele vlucht gestrekt.
13. 040B - De springer begint met de rug naar het water, de armen hoog. De springer springt naar achteren en buigt het bovenlichaam naar voren, het hoofd gaat mee, de handen gaan naar de voeten. In deze gehoekte houding komt de springer in het water. De billen wijzen omhoog.  

Wedstrijd 3 & 4
 Dit overzicht staat ook als bestand onder Downloads en formulieren.
Programma breedtesport 3+4 aug 2011

De algemene toelichting is gelijk aan wedstrijden 1 en 2 zie hierboven.
 
Toelichting bij wedstrijd 3 en 4:
1. kaars - De springer ligt op de rug met de schouders op de grond. De voeten gaan naar het plafond met rechte benen. De springer zet de handen tegen de rug en duwt zo het lichaam omhoog. Hoe rechter de lijn van voeten tot schouders hoe beter. De voeten moeten recht naar boven (90° met de grond) en niet naar achter (boven het hoofd). De springer krijgt twee pogingen om zo goed mogelijk 5 seconden te blijven staan. De beste poging telt.
2. hurk-strek-duik - De springer zit in hurkhouding  op de grond, handen op de schenen. Dit is de aanvangspositie. De benen worden uitgestrekt, de armen volgen de benen, het lichaam gaat naar achteren. Ogen gericht op de voeten. Nu gaan de armen dicht langs het lichaam (smal uitkomen) naar de duiklijn en komt de springer geheel gestrekt te liggen. Ogen gaan van de voeten mee met de handen. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening en blijft de rug recht (niet hol).
3. aanloop+100A - met stop  De springer laat een aanloop van een zelf te kiezen aantal passen zien, gevolg door een opsprong in slow motion zonder afzet, waarbij de armen naar boven gebracht worden en daar blijven tot aan de landing op 2 voeten. De springer staat een moment stil met armen boven het hoofd en maakt dan een standsprong gestrekt met armzwaai, eindigend met armen hoog. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
4. rug-schroef-rug - De springer ligt op de rug, in een gestrekte houding met de armen boven het hoofd. De maakt de springer vier keer een hele draai om de lengte-as. Links-rechts-links-rechts of andersom. Lichaam blijft gestrekt, de handen mogen een beetje helpen om te rollen. Als de springer een beetje scheef rolt mag dit hersteld worden tussen de schroeven door, zonder puntaftrek. Als de springer heel erg scheef rolt (>45°) zal het jurylid naar eigen inzicht punten aftrekken omdat de oefening dan niet goed uitgevoerd is. Bij hulp maximaal het cijfer 4.
5. opdrukken knie - De springer heeft de armen gestrekt onder de schouders, het lichaam is recht (de heupen mogen niet uitsteken) de knieën steunen op de grond en de voeten wijzen naar boven. Dit is de aanvangspositie. De springer buigt de ellebogen zo diep mogelijk, het lichaam blijft recht en komt weer terug in de aanvangspositie, etc.
6 . Cirkel beweging gehoekt De springer ligt op de rug, in een gestrekte houding met de armen boven het hoofd. De springer maakt een cirkel beweging en eindigt in gehoekte houding, liggend op de rug. Maakt zich vervolgens weer lang tot aanvangshouding, waarbij de springer blijft kijken naar de voeten.
7. dolfijntje a.w. - De springer hangt aan de kant, handen op de kant, knieën gebogen, voeten onder water tegen de kant. Dit is de aanvangspositie. De springer duwt met beide voeten tegen de kant en brengt gelijk de armen achter het hoofd. Het lichaam mag gedeeltelijk uit het water komen. Onder water gaat het lichaam weer terug naar de kant. Deze houding wordt zo gestrekt mogelijk gemaakt.
8. 030B - De springer maakt een contra-hoekbom, met afzetten en met rmzwaaia. De armen blijven boven na de armzwaai en de voeten worden naar de handen gebracht. De springer komt in gehoekte houding met de billen eerst in het water. Bij een goede uitvoering zijn de benen de gehele vlucht gestrekt.
9. 040B - De springer begint met de rug naar het water, de armen hoog. De springer springt naar achteren en buigt het bovenlichaam naar voren, het hoofd gaat mee, de handen gaan naar de voeten. In deze gehoekte houding komt de springer in het water. De billen wijzen omhoog.
10. valsalto a.w. - De springer begint met de armen hoog achterwaarts op de plank. De springer laat zich vallen en tijdens de val pakt de springer (zijlangs) de hurk vast, boven het water wordt weer uitgestrekt. Er wordt dus niet afgezet.