1. zijwaarts aansluiten - De springer zit in hoekhouding op de grond, knieën recht, tenen doorgestrekt, de armen zijwaarts. Dit is de aanvangspositie. De armen gaan zijlangs boven het hoofd, de handen worden vastgepakt. Terug naar de aanvangspositie.
2. hurk-strek - De springer zit in hurkhouding op de grond, handen op de schenen. Dit is de aanvangspositie. De benen worden uitgestrekt, de armen op de benen, het lichaam gaat naar achteren. Ogen gericht op de voeten. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening.
3. lenigheid hoekzit - De springer zit op de grond, benen op de mat, knieën recht,
tenen gestrekt, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer gaat in (diepe) hoekzit (handen bij de voeten, knieën recht) en blijft 10 sec. in deze houding zitten. Bij een goede uitvoering wordt gekeken naar de voeten.
4. 1-stap-opsprong + 100A - De springer maakt 1 stap + opsprong (zonder afzetten) waarbij de armen naar boven gebracht worden en daar blijven totdat de voeten naast elkaar zijn. De springer staat een moment stil met armen boven het hoofd en maakt dan een standsprong gestrekt met armzwaai, eindigend met armen hoog. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
5. koprol voorwaarts - De springer plaatst handenvoor zich op de grond, maakt een gehurkte koprol waarbij de schenen vastgepakt worden, en eindigt op de voeten, rechtop staand. De springer krijgt twee pogingen, de beste poging telt.
6. hurk-strek-duik - Zie uitleg bij (2), nu echter gaan de armen dicht langs het lichaam (smal uitkomen) naar de duiklijn en komt de springer geheel gestrekt te liggen. Eerst tenen kijken en uiteindelijk naar de landing kijken. Kijken tijdens het strekken mag vrij worden uitgevoerd. Bij een goede uitvoering raken de voeten niet de grond tijdens de gehele oefening en blijft de rug recht (niet hol).
7. aanloop+100A - De springer laat een aanloop van een zelf te kiezen aantal passen zien, gevolgd door een opsprong, gelijk gevolgd door een rechte sprong omhoog met armzwaai, armen hoog eindigen. Het moet een vloeiende beweging zijn met de armen een moment stil bovenin de opsprong. (Indien er geen droge omstandigheden gecreëerd kunnen worden, zal het jurylid uit veiligheidsoverwegingen besluiten de opsprong in slow motion te laten uitvoeren).
8. koprol-hoekzit v.w. - Zie uitleg bij (5), maar nu eindigt de koprol in een gehoekte houding, waarbij de billen op de grond zitten en de benen naar voren gestrekt op de grond liggen. De springer opent tegelijk met het uitkomen de armen en eindigt met de armen breed in een diepe hoekzit.
9. hoekzit-duik - De springer zit op de grond, benen recht, tenen gestrekt, handen hoog. Dit is de aanvangspositie. De springer buigt naar voren en tikt de tenen. Vervolgens komt de springer weer omhoog, met de armen breed. En vervolgens sluit deze de armen boven het hoofd aan, waarbij de handen vastgepakt worden en de springer naar zijn handen kijkt.
10. hurk-hoekzit-duik - De springer zit op de grond in de gehurkte houding met de schenen vastgepakt. Hiervandaan gaat de springer over naar een diepe hoekzit waarbij de benen op de grond liggen, en de armen breed zijn. Vervolgens komt het bovenlichaam overeind en sluiten de handen aan boven het hoofd.
11. 101A boogduik - De springer begint met de handen boven het hoofd en laat een boogduik zien. Er mag een lichte buiging in de heupen zijn.
12. 020/030B - Hoekbom achterover en contra. Met afzetten en met armzwaai. De armen blijven boven na de armzwaai en de voeten worden naar de handen gebracht. De springer komt in gehoekte houding met de billen eerst in het water. Bij een goede uitvoering zijn de benen de gehele vlucht gestrekt.
13. 040B - De springer begint met de rug naar het water, de armen hoog. De springer springt naar achteren en buigt het bovenlichaam naar voren, het hoofd gaat mee, de handen gaan naar de voeten. In deze gehoekte houding komt de springer in het water. De billen wijzen omhoog.