Als bewijs voor het behaalde kampioenschap ontvangt de winnaar, respectievelijk de beide springers van het winnende paar bij synchroonspringen, een bondsdiploma en een gouden (verguld zilveren) medaille namens het bondsbestuur.
De N(J)K is een evenement dat, indien alle onderdelen tezamen worden gesprongen, het beste over 4 wedstrijddagen kan worden verspreid. Hier wordt een basisschema voor de NK over 4 dagen gepresenteerd:
Indien de onderdelen torenspringen en synchroonspringen van de NK om dringende organisatorische redenen op één dag moeten worden gehouden dan kan onderstaand schema worden gebruikt. Deze organisatievorm heeft niet de voorkeur en mag pas na toestemming van de Technische Commissie worden toegepast. Verenigingen die solliciteren voor de organisatie van de NK, die het kampioenschap aanbieden verspreid over 4 dagen, krijgen de voorkeur boven sollicitanten die de NK willen organiseren in 3 dagen.
Indien er sprake is van een duidelijke scheiding tussen NJK en het NK, dienen onderstaande voorkeursschema’s worden gehanteerd.
Twee en een halve dag (2.5) is beschikbaar voor het NJK.
3.4.4 De Braamzeel trofee
De vereniging die over de alle onderdelen van de NK het meest succesvol is wint de wisselbeker de Braamzeel Trofee. Deze trofee en de titels trainer van het jaar en springer van het jaar worden elk seizoen pas toegekend als alle onderdelen van de NK zijn gehouden. De puntentelling is als volgt:
Per NK onderdeel kunnen alleen de beste twee springers per vereniging punten scoren voor de Braamzeel Trofee. Mochten er twee springers gelijk eindigen, dan krijgen beide springers de punten die behoren bij hun plaatsing (b.v. twee deelnemers eindigen beide op de derde plaats: beide springers ontvangen een bronzen medaille en beide springers ontvangen 14 punten voor hun club voor de Braamzeel Trofee). Vervolgens wordt er in de uitslag geen plaats overgeslagen, de volgende springer krijgt de punten van nummer vier.
Bij het synchroonspringen telt één paar als twee springers. Voorbeeld: het winnende paar bij het synchroonspringen bestaat uit twee springers van vereniging A, vereniging A krijgt 2 x 18= 36 punten. Indien vereniging A nog een paar in dezelfde wedstrijd heeft, dan kan vereniging A geen punten meer krijgen bij dat onderdeel. Indien een paar bestaat uit twee springers van twee verschillende verenigingen, dan krijgen beide verenigingen punten voor één springer.
3.4.5 Overige bijzonderheden
Op de NK tellen in de leeftijdsgroep al-in de volgende wedstrijdonderdelen als selectiemoment / limietmogelijkheid: de 1 meter voorronde en halve finale (finale niet), de 3 meter voorronde en finale, de toren voorronde en finale. Bij het synchroonspringen (plank en toren) telt alleen de finale.
Bij alle jeugdonderdelen (leeftijdsgroepen B en A) telt alleen de finale.
Het platform moet bij wedstrijden synchroonspringen toren 3 meter breed zijn. Indien dit niet het geval is, dan moet de organiserende vereniging dispensatie aanvragen bij de KNZB voor het houden van het kampioenschap synchroonspringen toren.
3.4.6 Techniekeise niveau C en D
Het jureren van niveautesten
De testen worden gesprongen van de 1- en 3 meter plank en de toren. Het doel van deze test is: het behalen van een (schoonspring technisch) niveau. Bij niveautesten plankspringen worden eerst alle sprongen van de 1 meter plank gemaakt, dan alle sprongen van de 3 meter plank, tenzij de scheidsrechter anders beslist. Bij niveautesten torenspringen wordt de volgorde aangehouden van het overzicht niveauspringen toren en de techniek - en beoordelingscriteria zoals omschreven in deze Almanak.
In principe mogen alle springers elke sprong twee keer uitvoeren. Voor de KNZB-Niveautesten geldt, dat als een springer niet meer kan slagen voor de test er geen recht meer is op een herkansing.
Voor niveautesten door verenigingen ligt de beslissing op het recht van een herkansing bij het niet meer kunnen slagen bij de organiserende vereniging c.q. scheidsrechter.
De beoordeling bij het niveauspringen, geschiedt door 3 juryleden. Een van de drie juryleden wordt aangewezen als scheidsrechter. De scheidsrechter heeft de eindbeslissing als er tijdens de test vragen/problemen zijn.
Elk jurylid beoordeelt eerst of alle techniek- en beoordelingscriteria genoemd in de lijst zijn getoond. Indien 1 (één) van de criteria niet is getoond geeft het jurylid de beoordeling “rode kaart”. Vervolgens moet de sprong om een groene kaart te krijgen ook minimaal het (nationale) jurycijfer 5 waard zijn (houdt hierbij geen rekening met de positie van de armen bij de landing!).
Voorbeeld 1: de springer voldoet aan alle technische eisen van de sprong, maar maakt een sprong die als geheel niet meer waard is dan een vier en een half (4½), waardering = een rode kaart.
Voorbeeld 2: de springer maakt een sprong die op een kampioenschap het cijfer 7 zou krijgen, maar voldoet niet aan één van de technische criteria die is opgenoemd, waardering = een rode kaart.
De juryleden tonen afhankelijk van de prestatie van de springer een groene of rode kaart. Als een springer 2 of 3 groene kaarten voor een sprong krijgt dan is de sprong “gehaald”. Als de springer slechts 1 of geen groene kaart krijgt dan is de sprong “niet gehaald”. Een springer mag elke sprong van de test maximaal 2 keer doen. Elke test bestaat uit 12 sprongen. Als een springer voor 10 sprongen de kwalificatie "groen" heeft gehaald, dan is hij/zij geslaagd voor de test. Eén secretaris noteert de beoordelingen op een scorelijst, een 2e secretaris controleert de juiste invulling.
Als een springer de aanloop, de afzet achterwaarts of een handstand stopt, dan geldt dit als een mislukte sprongpoging, de beoordeling is “rood”. De springer moet wachten op zijn beurt voor een herkansing. Indien de springer bij de tweede poging wederom stopt, dan is de beoordeling weer rood en krijgt de springer geen herkansing meer.
Het verdient aanbeveling de beoordelingskaarten te plastificeren en de beoordelingscriteria op de beoordelingskaarten af te drukken, zodat de juryleden tijdens het afnemen van de test de criteria kunnen lezen.
De KNZB houdt bij welke springers een bepaalde niveautest hebben gehaald.
3.4.7 Tabel niveau springen C en D

In de categorie C worden alle sprongen voorwaarts/voorover en contra met een aanloop gemaakt met uitzondering van de valduiken.
Bij het afnemen van de test kunnen de sprongen in willekeurige volgorde worden gevraagd. In de praktijk zal er voornamelijk gekozen worden eerst de sprongen van de 1m plank en vervolgens de sprongen van de 3m plank te maken.
Om voor een niveautest te slagen moet een springer bij alle opgegeven sprongen hebben uitgevoerd (het is niet toegestaan een sprong over te slaan).
3.4.8 Niveau springen C en D - Techniek en beoordelingscriteria
NIVEAU D PLANK
Alle sprongen voorwaarts en contra worden uit stand gesprongen, tenzij anders vermeld.
Bij alle sprongen achterwaarts en binnenwaarts is een armzwaai niet verplicht maar wel wenselijk. Voor alle sprongen gelden de volgende algemene criteria: balans, gestrekte benen en tenen en controle over de sprong.
1. zweefsprong voorover gehurkt, 1 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Duidelijk strekking vanuit de hurk via hoek of direct (rechtstreeks)
2. zweefsprong binnenwaarts gehurkt, 1 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Duidelijk strekking vanuit de hurk via hoek of direct (rechtstreeks)
3. zweefsprong achterwaarts of contra gehurkt, 1 meter
- Bij een contra zweefsprong uit stand is een armzwaai verplicht
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
4. rechtstandige sprong voorwaarts met halve schroef gestrekt, 1 meter
- Handen zijwaarts of laag bij de landing
5. rechtstandige sprong achterwaarts met halve schroef gestrekt, 1 meter
- Handen zijwaarts of laag bij de landing
6. salto voorwaarts gehurkt of gehoekt, 1 meter
- Compacte hurk of hoekhouding met vastpakken van de benen
- Bij gehurkte salto strekken via hoek, tijdens het strekken kijken naar de tenen
- Bij gehoekte salto een directe strekking vanuit de heupen
- Handen zijwaarts of laag bij de landing
7. valduik voorwaarts gehoekt, 3 meter
- Uit stand, armen zijwaarts starten
- Onderwater techniek
8. valduik voorwaarts gehurkt, 3 meter
- Uit zit starten, compacte hurkhouding starten
- Eerst vallen en dan strekken (uithoeken gedurende de rotatie)
- Duidelijk strekking vanuit de hurk via hoek of direct (rechtstreeks)
9. valduik voorwaarts open gehoekt, 3 meter
- Uit zit, armen zijwaarts starten
- Duidelijke hoekhouding met rechte rug bij de start
- Onderwater techniek
10. valduik achterwaarts gestrekt, 3 meter
- Uit stand, met handpalmen op de bovenbenen starten
- Vallen in gestrekte houding, eerste het hoofd naar landingshouding en vervolgens de handen.
11. zweefsprong voorwaarts gehoekt, 3 meter
- Uit stand starten, met of zonder armzwaai
- Open hoekhouding (tenen mogen niet worden aangeraakt)
- Onderwater techniek
12. zweefsprong binnenwaarts gehoekt, 3 meter
- Uit stand starten, met of zonder armzwaai
- Open hoekhouding (tenen mogen niet worden aangeraakt)
- Onderwatertechniek
NIVEAU C PLANK
Alle sprongen voorwaarts en contra worden met aanloop gesprongen, tenzij anders vermeld. Bij alle sprongen achterwaarts en binnenwaarts wordt een volledige armzwaai en voorbeweging gevraagd. Voor alle sprongen gelden de volgende algemene criteria: balans, gestrekte benen en tenen en controle over de sprong.
1. rechtstandige sprong voorwaarts gehoekt, 1 meter
-
Eerst de afzet volledig afmaken, recht aanspringen
-
Dichte hoekhouding met tenen aanraken
-
Handen laag of hoog bij de landing
2. rechtstandige sprong achterwaarts gehoekt, 1 meter
-
Eerst de afzet volledig afmaken, recht aanspringen
-
Dichte hoekhouding met tenen aanraken
-
Handen laag of hoog bij de landing
3. zweefsprong achterwaarts gehoekt, 1 meter
4. zweefsprong contra gehurkt of gehoekt, 1 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
5. salto voorwaarts open gehoekt of gestrekt (voorbereiding schroefsalto), 1 meter
- Gedurende de vlucht en landing de handen zijwaarts
- Bij gehoekte salto een directe strekking vanuit de heupen
- Landing dient in gestrekte houding plaats te vinden
6. salto achterwaarts gestrekt (voorbereiding schroefsalto), 1 meter
- Gedurende de vlucht en de landing de handen boven schouder hoogte
- Hoofdhouding rechtop gedurende de afzet en vlucht
7. aa nloop voorwaarts gestrekt met extra vering, 3 meter
- Minimaal een extra vering, meer is toegestaan
- Handen laag of hoog bij de landing
8. standsprong achterwaarts gehurkt, 3 meter
9. 1½ salto voorwaarts gehoekt, 3 meter
- Gesloten hoekhouding (vastpakken) gedurende vlucht
- Armen zijwaarts uitkomen
10. 1½ salto binnenwaarts gehurkt, 3 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- De hurk via hoekhouding strekken (uithoeken)
11. zweefsprong achterwaarts gehurkt of gehoekt, 3 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
12. zweefsprong contra gehurkt of gehoekt, 3 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
NIVEAU D TOREN
Alle sprongen voorwaarts worden uit stand gesprongen, tenzij anders vermeld. Voor alle sprongen gelden de volgende algemene criteria: balans, gestrekte benen en tenen en controle over de sprong.
1. rechtstandige sprong voorwaarts gestrekt, 5 meter
- Met of zonder armzwaai
- Handen laag of hoog bij de landing
2. rechtstandige sprong achterwaarts gehoekt, 5 meter
- Eerst de afzet volledig afmaken, recht aanspringen
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
- Handen laag of hoog bij de landing
3. valduik voorwaarts gehoekt, 5 meter
- Uit stand, armen zijwaarts starten
- Onderwater techniek
4. valduik achterwaarts gestrekt, 5 meter
- Uit stand, met handpalmen op de bovenbenen starten
- Vallen in gestrekte houding, eerste het hoofd naar landingshouding en vervolgens de handen.
5. zweefsprong voorwaarts gehurkt of gehoekt, 5 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Duidelijk strekking vanuit de hurk via hoek of direct (rechtstreeks)
- Open hoekhouding (tenen mogen niet worden aangeraakt)
6. zweefsprong binnenwaarts gehurkt of gehoekt, 5 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Duidelijk strekking vanuit de hurk via hoek of direct (rechtstreeks)
- Open hoekhouding (tenen mogen niet worden aangeraakt)
NIVEAU C TOREN
Alle sprongen voorwaarts worden uit aanloop gesprongen, tenzij anders vermeld. Voor alle sprongen gelden de volgende algemene criteria: balans, gestrekte benen en tenen en controle over de sprong.
1. valkduik achterwaarts gehurkt uit hurksprong (squat), 3 meter
- Start vanuit hurkzit met de armen laag achter (armzwaai achterwaarts)
- Vanuit deze houding een afzet maken zoals een normale zweefsprong achterwaarts
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
2. valduik voorwaarts met geslote n hoek, 5 meter
- Starten vanuit zithouding
- Gebalanceerd starten vanuit hoekhouding
- Diepe gesloten hoek met rechte rug
- Eerst vallen in hoekhouding en vervolgens zijwaarts aansluiten
- Onderwater techniek
3. zweefsprong achterwaarts gehurkt of gehoekt, 5 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
4. zweefsprong contra gehurkt of gehoekt, 5 meter
- Compacte hurkhouding met duidelijk vastpakken van de benen
- Gecontroleerd eerst de benen strekken (uithoeken)
- Dichte hoekhouding met tenen aanraken
5. handstand gevolgd voor een salto gehurkt of gehoekt, 5 meter
- Starten vanuit een gebalanceerde handstand
- Handstand 3 seconden in positie houden
6. 1½ salt o voorwaarts gehoekt, 5 meter
- Uit stand starten
- Gesloten of open hoekhouding naar keuze
7. 1½ salto binnenwaarts gehurkt, 5 meter
- Handen boven het hoofd starten
8. standsprong voorwaarts gestrekt, 10 meter