In de loop der tijd zijn er bij het schoonspringen geschreven en ongeschreven regels ontstaan als het gaat om de organisatie en het verloop van wedstrijden. Daardoor is het mogelijk vrij efficiënt en soepel wedstrijden te organiseren die niet langer duren dan strikt noodzakelijk. Daarbij wordt toch maximaal rekening wordt gehouden met de wensen en de prestaties van de springers. In dit stukje worden de belangrijkste aandachtspunten nog eens op een rijtje gezet. Daarbij is een indeling gemaakt naar de verschillende groepen die te maken hebben met de wedstrijd. Gekozen is voor een vorm waarin wordt aangegeven wat je wel doet en wat je niet doet. Het is een leidraad en hulpmiddel. Belangrijkste doel blijft om door wederzijds respect een goede gezellige sfeer te creëren zodat de spring(st)ers optimaal kunnen presteren . In alle vier de zwemsporten van de KNZB gelden gelijksoortige regels, met name waar het de houding ten opzichte van de scheidsrechter en officials betreft.
1. Ik help er aan mee dat een evenement of wedstrijd soepel kan verlopen:
a. Daarom ben ik op tijd in het zwembad aanwezig.
b. Volg ik de aanwijzingen van de scheidsrechter of de organisatie op zonder tegen te spreken.
c. Ben ik op tijd bij de plank zodat ik direct na de vorige springer klaar kan gaan staan.
d. Neem ik tijdens het inspringen niet te veel tijd om mijn sprong te maken zodat ook andere springers aan de beurt kunnen komen.
e. Ik weet dat inspringen is bedoeld om de plank te leren kennen en niet als training om alsnog een sprong te leren.
f. Ga ik op de plank staan en zet de rol goed zodra de vorige springer in het water is.
2. Ik hinder andere springers niet tijdens hun sprong:
a. Daarom ga ik niet op de plank of op het plateau achter de plank staan als de springer voor mij nog moet springen.
b. Ik maak ook geen overbodig geluid als ik niet aan de beurt ben.
c. Ik loop ook niet achter de plank langs als een springer voor achterwaarts of binnenwaarts klaar staat, dan wacht ik even tot zij/hij heeft gesprongen.
3. Ik geef de jury de mogelijkheid om zo goed mogelijk te functioneren:
a. Daarom loop ik niet voorlangs de jury tijdens een wedstrijd.
b. Maak ik geen hinderlijk lawaai in de buurt van de juryleden zodat zij zich kunnen concentreren.
c. Blijf ik weg van de jurytafel met het secretariaat zodat zij hun werk in alle rust kunnen doen.
d. Zal ik nooit luid hoorbaar voor het publiek negatief afgeven op juryleden, scheidsrechter of de jury.
e. Als ik een protest wil indienen loop ik daarvoor naar de scheidsrechter die ik rustig te woord sta.
4. Veiligheid is voor het springen heel belangrijk:
a. Daarom spring ik nooit zomaar voor een plank of platform in het water.
b. Ook zwem ik nooit zomaar voorlangs een plank of platform.
c. Als ik inspring van de toren doe ik dit alleen als de trainer die daarvoor is aangewezen aangeeft dat ik mag springen. En dan nog let ik op dat er niemand onder het platform is of ook springt. Zeker als er twee platformen boven elkaar liggen.
1. Ik help er aan mee dat een evenement of wedstrijd soepel kan verlopen:
a. Daarom zorg ik ervoor dat mijn springers op tijd zijn.
b. Ik ondersteun de scheidsrechter en de organisatie actief als zij de springers iets vragen door er op te letten dat mijn springers de aanwijzingen opvolgen. Als zij dit niet doen corrigeer ik hun (ook als ik niet direct weet waarom de scheidsrechter of de organisatie ergens om vraagt!).
c. Ik zorg ervoor dat mijn springers op tijd bij de plank zijn als zij aan de beurt zijn in een wedstrijd en dat zij niet in de weg lopen van de juryleden. Ik zorg er ook voor dat mijn springer de voorgaande springer niet stoort.
d. Ik zorg ervoor dat mijn springers die niet aan de beurt zijn geen lawaai gaan maken en de wedstrijd niet verstoren.
e. Ik weet dat inspringen bedoelt is om de plank te leren kennen en niet als training om een sprong te leren.
f. Ik weet dat een springer op de plank moet gaan staan voordat de scheidsrechter de sprong mag aankondigen, ik zorg er dan ook voor dat de springer dit weet zodat de wedstrijd niet wordt vertraagd.
2. Ik hinder andere trainers en springers niet tijdens een evenement of wedstrijd:
a. Daarom loop ik of lopen mijn springers niet achter de plank langs als een springer voor achterwaarts of binnenwaarts klaar staat. Ik leer mijn spring(st)ers dat zij wachten tot de andere springer heeft gesprongen.
b. Ik zorg ervoor dat mijn springer niet op de plank of het platform achter de plank staat als de springer voor haar/hem nog moet springen.
c. Ik maak ook geen overbodig geluid als een springer moet springen.
3. Ik geef de jury de ruimte om zo goed mogelijk te functioneren:
a. Daarom ga ik niet vlakbij de jury staan om mijn springer aan te moedigen of aanwijzingen te geven.
b. Daarom loop ik niet voorlangs de jury tijdens een wedstrijd.
c. Ook maak ik geen hinderlijk lawaai in de buurt van de juryleden zodat zij zich kunnen concentreren op de sprong.
d. Ik blijf weg van de jurytafel met het secretariaat zodat zij hun werk in alle rust kunnen doen, ook als een wedstrijdonderdeel is afgelopen loop ik niet naar het secretariaat voor een tussenuitslag.
e. Zal ik nooit hoorbaar voor mijn springers of het publiek negatief afgeven op de scheidsrechter of de juryleden.
f. Als ik een protest wil indienen loop ik daarvoor naar de scheidsrechter die ik rustig te woord sta, dit doe ik ook als ik het ergens niet mee eens ben.
g. Ik weet dat de scheidsrechter bevoegd is aanwijzingen te geven en zal die vanzelfsprekend direct opvolgen ook als mij niet direct duidelijk is waarom de aanwijzing wordt gegeven. .
4. Veiligheid is voor het springen heel belangrijk:
a. Daarom houd ik altijd toezicht op wat mijn springers doen.
b. Als dat nodig is zorg ik er ook voor dat andere springers veilig bezig zijn.
c. Bij het inspringen van de toren spreek ik met de andere trainers af wie aangeeft welke springer mag springen.
1. Ik help er aan mee dat een evenement of wedstrijd soepel kan verlopen:
a. Daarom zorg ik ervoor dat ik op tijd aanwezig ben zodat ik kan deelnemen aan de juryvergadering.
b. Ik zorg ervoor dat ik tijdig naar mijn plaats ga als ik moet jureren of schrijven.
c. Ik ondersteun de scheidsrechter en de organisatie actief met het in goede banen leiden van de wedstrijd.
2. Ik zorg voor een positieve houding tijdens het gehele evenement of de wedstrijd:
a. Daarom concentreer ik mij als ik jureer alleen op de wedstrijd en de verrichtingen van de springer die aan de beurt is en laat ik mij niet afleiden door anderen.
b. Als ik jureer praat ik niet met anderen en zorg ervoor dat de springer die aan de beurt is ziet dat ik geïnteresseerd ben in wat hij/zij gaat doen. Ik zit dus rechtop en ga niet rond kijken.
c. Ik ben KNZB official en geen verenigingsofficial en treedt daarom onpartijdig op.
d. Waar nodig ondersteun ik de scheidsrechter en de organisatie met het goede verloop van de wedstrijd.
e. Ook tussen de wedstrijdonderdelen in blijf ik aanspreekbaar als onpartijdig official.
3. Ik ben tussen de series door aanspreekbaar op mijn jureren:
a. Als een mede jurylid of een springer na afloop van een wedstrijdonderdeel vraagt om uitleg over een cijfer geef ik daar serieus antwoord op.
b. Ik zal mij onthouden van het geven van mijn (negatieve) mening over het functioneren van andere officials aan anderen dan de betreffende official zelf.
c. Als ik vraagtekens heb bij de keuzen van andere juryleden spreek ik die daar na afloop van een onderdeel zelf op aan en vraag hem of haar om een toelichting.
4. Veiligheid is voor het springen heel belangrijk:
a. Daarom zal ik altijd ingrijpen in geval dat ik een gevaarlijke situatie constateer. Ik vertel dit ook aan de organisatie zodat zij daar gepast actie op kunnen nemen.
b. Als dat nodig is zorg ik er ook voor dat andere springers veilig bezig zijn.